terug naar verhalen WEB4KIDS homepage


Amsterdam-Noord in Oorlogstijd
Bob van Hogen, 12 jaar


Voor deze opdracht van Nederlands heb ik een vrouw geïnterviewd die vroeger mijn oppas was: Zus. Het interview ging heel goed: ik kreeg duidelijke, uitgebreide antwoorden. Zus is vijfenzeventig en is geboren en opgegroeid in Amsterdam-Noord, en woont er nu nog. Dus al heel lang.

Volgens Zus was Amsterdam-Noord heel anders vroeger. Het was veel armoediger. De moeder van Zus kwam uit Nooddorp, het armste gedeelte van Amsterdam-Noord. Er waren vroeger ook heel veel grote gezinnen. En achter de Kamperfoelieweg waren vroeger nog geen huizen. Daar werd het afval in de oorlog neergegooid; maar het afval werd niet opgehaald, een soort vuilnisbelt dus. Die plek achter de Kamperfoelieweg werd ‘Het Koeienland’ genoemd. Arme mensen zochten meestal tussen en in de vuilniszakken naar eten; weggegooide aardappelschillen bijvoorbeeld. Achter het Koeienland lag een Fokker-fabriek, die vliegtuigen maakte. Op het dak van de Fokker-fabriek was een nepdorp gebouwd, zodat het vanuit de lucht leek alsof er een wijk stond; als camouflage dus. Maar toch werd de Fokker-fabriek gebombardeerd. De kinderen zochten daar in de buurt ook altijd naar granaatscherven. Die gingen ze dan ruilen, en als je de grootste granaatscherf had keek iedereen tegen je op.

Als het luchtalarm afging, renden alle mensen van Noord naar het kanaal, omdat ze zeker wisten dat daar nooit bommen werden gegooid door bommenwerpers. Namelijk omdat de bommenwerpers daar toch geen doelwit hadden, want dan raakten ze alleen maar water. Als het luchtalarm weer stopte, ging iedereen terug naar zijn wijk, om te kijken of zijn huis nog overeind stond.

Na de oorlog merkte je nog heel veel van de oorlog, want de oorlog, of eigenlijk de bezetting, heeft lang geduurd. Veel huizen waren compleet verwoest, en veel mensen waren familieleden kwijtgeraakt omdat die naar een concentratiekamp moesten. Ook hadden veel mensen deuren uit hun huizen gesloopt om het hout te kunnen gebruiken als brandhout voor in de haard. Verder zaagden ze balken uit de zolder die als brandhout konden dienen. Om toch nog een beetje voor de mensen te kunnen zorgen, was er een gaarkeuken ( bij de Hagendoornweg ). Daar kon je voor bonnen soep halen. Dit was geen kippensoep of tomatensoep, maar soep, gemaakt van vogelzangzaad of tulpenbollen. En verder moest je maar voor jezelf zorgen. Het gezin van Zus heeft uit armoede ook eens een hond gegeten, die van de straat werd gehaald. Iedereen deed dat, ook katten werden opgegeten.

De sfeer op straat was vroeger heel leuk en gezellig. Alle kinderen speelden altijd op straat omdat ze geen televisie of PlayStation hadden of iets wat daar op lijkt. De kinderen speelden op straat vaak verstoppertje of blikkie trap. Maar er waren ook minder leuke kanten aan het leven op straat, want kinderen scholden elkaar vaak uit. En dan vooral met uiterlijk en geloof (Roomse paap, schele jood, rare bochel, enzovoorts ).

Vroeger had je in Amsterdam Noord op elke straathoek wel een winkel. Voor elk product dat je nodig had, was er een aparte winkel. Denk aan een bakker, slager, kruidenier etcetera. De sfeer in de winkels was ook wel leuk en fijn, want je kwam veel vaker mensen tegen die je kende, bijvoorbeeld je buurvrouw. Je werd vroeger ook beter behandeld door de winkelier dan tegenwoordig. Wat ook een kenmerk van de winkels van vroeger was, was dat je op de pof kon kopen. Dat is dat je aan het eind van de week of van de maand betaalde, als je je loon kreeg.

Het openbaar vervoer was heel anders dan nu. Er reed in de buurt maar een bus, die bus L heette. Die was in die tijd onbetaalbaar. De pont was er ook al. Die was wel gratis. Kinderen gingen dan altijd buiten op het dek staan om te kijken wat er allemaal in het water dreef.

Er was bijna geen verkeer in de oorlog. Er reden absoluut geen gewone auto’s van mensen. Er waren dus ook geen stoplichten of verkeersleiders in de oorlog, want er reden toch geen auto’s. Er reden wel mensen op fietsen, maar met houten banden ( ! ). Na de oorlog kwam het verkeer weer op gang. Toen werden er ook meer dingen gemaakt om het verkeer te regelen, omdat het toen weer veilig was om over straat te gaan.

De bewoners van vroeger waren anders. Er woonden bijna alleen maar havenarbeiders of werklozen. De mensen in Floradorp, ook wel de Rimboe genoemd, waren het allerarmste.

Uit de verhalen van Zus maak ik op dat het in de oorlog een stuk armer en gevaarlijker was dan nu. Na de oorlog was de veiligheid weer teruggekeerd, maar de armoede bleef nog lang bestaan. Mensen die delen van hun huis gesloopt hadden om als brandhout te gebruiken, moesten de schade zelf vergoeden aan de woningbouwvereniging. Maar het was ook een gezellige tijd, volgens Zus. De kinderen speelden altijd buiten en beleefden veel avonturen. Iedereen kende elkaar en mensen hielpen elkaar veel meer dan nu. Het was in die tijd onmogelijk dat je je buren niet kende.



EINDE