Hoofdstuk 3: aanval op de kapitein


In de brug gaat alles er rustig aan toe, totdat:
- Ik zie iets op de radar* kapitein!, zegt de hoofdofficier daar.
- Een walvis?
- Dat kan niet, want dit ding is veel groter, en trouwens, het komt recht op ons af!
- Kunnen we uitwijken?
- Nee!
- Bel meteen de machinekamer en ook de drie paleontologen!

De hoofdofficier neemt een mobiele telefoon die op een kast ligt en belt drie nummers op. Maar hij schudt zijn hoofd.
- De machinekamer en de drie paleontologen nemen niet op en het vasteland kunnen we niet bereiken!
- Dat we het vasteland niet kunnen bereiken komt vast door de storm.
- Ik denk dat het eerder daar aan ligt, zegt de hoofdofficier en wijst naar de computerschermen.
De kapitein slikt. Op de schermen knipperen rode vakjes. Ineens gaat de verlichting uit en dan weer aan.
- Wat is er gebeurt?, vraagt de kapitein.
- De hoofdgeneratoren zijn uitgevallen en de noodgeneratoren zijn ingeschakeld.
- Hoe komt dat?
- Er moet een kortsluiting zijn in de machinekamer, ik ga meteen.

Omdat de lift niet werkt moet hij vele trappen afgaan. Hij komt aan bij de dubbele deur die toegang geeft tot de zaal met de waterscooters. Op de kleine glazen raampjes bovenaan zit er rode vloeistof.Bloed?



Hij duwt de deur open en gilt. Op de grond liggen lijken en de kabels van de meeste machines zijn doorgebeten door het wezen dat hem nu aankijkt. De hoofdofficier wil achteruit lopen, naar waar dan ook, maar achter hem staat nu ook zo een wezen en links en rechts van hem ook. Ze hebben hem omsingeld!
- Help!, gilt hij, maar hij weet dat niemand hem hier, helemaal onderaan in de Dinoschipus, zal horen. Hij gilt nog één keer, voordat de wezens hem aan stukken scheuren.

In de brug maakt de kapitein zich zorgen over de hoofdofficier, want hij is nog altijd niet terug. Hij neemt zijn laptop en sluit hem aan op het bewakingsbeeld. Er verschijnt een hele lijst, en de kapitein klikt op ‘waterscooterzaal’, want daar komt de trap aan. Er verschijnt een zaal vol doden, machines met doorgebeten kabels en een groepje wezens. De kapitein klik verschillende keren op ‘terug’ en komt op het hoofdmenu:

Dan gaat ineens de deur open.

In kamer 202 wordt Joris wakker, doordat hij iets heeft horen brullen in de gang. Hij staat op en gaat door de gang. In de rode loper zitten gaten, alsof er iets met klauwen door de gang is gekomen. Hij volgt het spoor in de omgekeerde richting, en komt aan bij de brug. Vreemd, denkt hij, want hij merkt dat de automatische deurbeveiliging is uitgeschakeld, waardoor hij de deur gewoon kan openduwen. En als hij dat doet, moet hij een gil onderdrukken.
Op de grond ligt de kapitein en de butler.
- Oh, nee, ik moet iedereen waarschuwen!

Hij doet een deur open. Een ijzige kou, vermengd met regen, komt hem tegemoet. Hij staat op het dek. Hij rent door een andere deur, te laat beseffend dat dit de trap naar het atrium was. Waardoor hij van de trap valt, op het balkon van het atrium. Hij roept zijn ouders, die snel naar hem toe komen lopen. Joris zegt niets, maar wijst naar de trap, die leidt naar de brug. Zijn ouders gaan naar boven, terwijl Joris overeind krabbelt. Hij hoort zijn moeder gillen.
Zijn moeder rent naar beneden, roepend:
- Ze zijn dood! DOOD!’
Iedereen begint door elkaar te gillen.
Buiten klinkt er een schreeuw, een schreeuw van een prehistorisch wezen.


Hoofdstuk 4: aanval op de Dinoschipus

Er is een enorme schok!  De tafels kantelen om. De ramen vallen open. Er klinkt een luide brul. De mensen gillen nog meer. De luchters barsten en het licht valt uit met luid geknetter. Mensen vallen door glazen scheidingswanden. Mensen vallen van balkons.

Er rennen veel wezens naar binnen via de glazen deuren van het atrium(:) of de eetkamer.
Nu weet vast iedereen wat deze wezens zijn, ze hebben wel vast de beelden in het museum gezien, dit zijn Velociraptors!
Een Velociraptor rent achter Joris, die zich snel weghaast. Hij sluit zich op in zijn kamer en doet zijn ogen dicht. De Velociraptor springt door de deur. Joris wacht, het zou snel voorbij zijn. Maar de klap kwam niet. In plaats daarvan hoort hij harde klappen en veel geschreeuw.
Hij doet zijn ogen open. De Velociraptor ligt op de grond. Dood. Voor hem staat Joris zijn vader, met een bebloed brandblusapparaat in zijn beide opgeheven handen.
- Niemand komt aan mijn zoon, mompelt hij.
Daarna:
- Kom we gaan je moeder zoeken!
Tijdens hun zoektocht begint vader te praten:
- Weet je, ik heb wat gevonden!’
- Oh, ja, wat dan?’
- Nou, krantenartikels over Velociraptoreiland, een eiland dat vroeger gouden zaken deed met het tentoonstellen van hun levende dinosaurussen. Maar de dinosaurussen waren uitgebroken.
Het laatste vliegtuig dat van Velociraptoreiland vertrok is gecrasht, en nu zoeken ze nog voor overlevenden.
Ze komen voor een deur te staan, met het opschrift:

Personeelskamers
Verboden toegang
Uitsluitend personeel

De deur staat op een kier. Ze gaan naar binnen. Nu staan ze aan het begin van een lange gang. In de muren zijn klauwsporen en kogels zichtbaar. Op de grond liggen lijken van mensen en dieren. De meeste deuren zijn uit hun scharnieren gerukt. De deur van V.D kamer V.D kapitein (misschien omdat ze van sterk staal is) staat nog in haar scharnieren en was dicht. Joris vader bonkte erop.
- Hallo, is daar iemand?’
De deur gaat open. Daar staan Joris zijn moeder en een groepje mensen. Ze horen gesnater. Dan breekt de glazen deur aan het begin van de gang in duizenden stukjes. Snel doet Joris de deur dicht en doet ze op slot.
- Oh Joris, ik was zo ongerust, zegt Joris zijn moeder en begint hem te knuffelen.
- Joris, er ligt hier een laptop, zegt ze dan, er naar wijzen,’zou jij daar mee kunnen werken, want wij hebben er niet zoveel verstand van.
Joris loopt er naartoe en drukt op de ‘on’ knop:


Joris zet hem weer uit.
- Ik moet een code invoeren en die staat op de beveiligingspas van de kapitein, dus ik moet naar de brug.
- Oké ik ga mee!, zegt Joris’s vader, liggen er hier wapens?
- Hier!, zegt Joris zijn moeder en geeft haar man een geweer.
- Tot zo meteen!
Ze openen de deur.
- Oef, zegt Joris, want de Velociraptor is weg.
Zo snel als ze kunnen rennen ze door de gangen,totdat ze aankomen in de salon, tenminste wat er nog van over is: